Benedictus en de Benedictijnen

Alles begint in feite bij de H. Benedictus van Nursia. (ca 480-547) Zijn denkwijze hoe men de christelijke perfectie nastreeft, gevat in zijn leefregel, ligt uiteindelijk aan de basis van praktisch de totaliteit aan leefregels bij de diverse monnikenorden. Zijn visie kan op simplistische manier worden samengevat in het adagio “Ora et Labora” waarbij er een evenwicht in het dagelijks bestaan van de monnik wordt nagestreefd tussen het werken, handen- of geestesarbeid, en het bidden, in het kader van een stabiele aanwezigheid binnen de muren van een klooster waar de abt, d.i. de vader, in liefdevolle verhouding staat tot de leden van de gemeenschap. Naar zijn naam werd de benedictijnerorde genoemd .

Periode vóór Benedictus

Vóór Benedictus de basis legde van het westelijk monnikendom, waren er reeds belangrijke stromingen binnen het christendom die de idealen van eenzaamheid, gebed en armoede aankleefden.
Ten tijde dat keizer Constantinus de Grote in 325 op het eerste concilie van Nicea het christendom als staatsgodsdienst aanvaardde, waren er reeds eremieten in Egypte, Syrië en Palestina (St. Antonius bv.) en werd door H. Pachomius en wat later door H. Basilius een eerste leefregel voor samenwonende monniken opgesteld.
Deze ideeën waaiden over vanuit het Nabije Oosten naar Europa en schoten in de loop van de 5de en 6de eeuw wortel in de streek van de Provence en Marseille en daarna in de Rhônevallei, Lyon en Troyes. Bakermat van het monnikendom was vooral Lérins, rond 410 gesticht op een eiland voor de kust van het huidige Cannes Twee personages, Cassianus en Cassiodorus hebben in die periode mede de basis gelegd van het westers monnikendom, maar het is dank zij de H. Benedictus dat de fundamenten van de eerste grote kloosterorde werden gelegd.
Het is niet zonder reden dat hij de titel van Vader van Europa draagt.

De Keltische stroming

Ten tijde van de H. Benedictus ontstonden in Ierland en de Britse eilanden kloosters met een zeer streng regime en sterk gericht op de kerstening van heidense volkeren. Dit missioneringswerk werd vooral verricht door H. Colombanus (540-615) die het vasteland christianiseerde. Beroemde kloosters als Luxeuil (F) en Sankt-Gallen (Zw) werden door zijn volgelingen gesticht. Beroemde heiligen als St. Elooi en St.Amandus waren eveneens aanhangers van deze Keltische stroming.

De benedictijnse stroming wint veld

Geleidelijk aan werd West-Europa via het zuiden en via het westen gekerstend en ontstonden er steeds meer kloosters. Paus Gregorius de Grote (540-604) promootte deze politiek en hij lag hiermee aan de basis van, dat uiteindelijk de regel van Benedictus steeds meer werd aanvaard bij de autonoom blijvende kloosters.

Pas na de chaotische periode der Merovingers, kwam met Karel de Grote in de 9de eeuw een zekere uniformisering en stabilisering tot stand in de verscheidene monachale tendensen. De benedictijnse regel vond steeds meer bijval; het kloosterleven werd gerestaureerd en geuniformiseerd o.m. door het werk van Benedictus van Aniane (750-821). In zijn Capitulare monasticum van 10 juli 817 werden de benedictijnse leefregel en systeem aangewezen als enige norm. Maar de Karolingers beschouwden de abdijen en kloosters als bruikbaar materiaal om hun politieke macht te laten gelden. De steeds groeiende bemoeizucht van de aristocratie belust op steeds meer rijkdom en macht via de kloosters, hadden in de 9de eeuw als gevolg dat de normen vervaagden en er chaos heerste.