Evolutie binnen de religieuze orden

In can. 573 van het canonieke recht worden kloosters, religieuze orden en congregaties omschreven als instituten waarvan de leden zich via een bestaan geheel geïnspireerd door de evangelische principe, een stabiel leven nastreven ter ere van het Rijk Gods. De beleving van deze principes wordt geconcretiseerd door het afleggen van geloftes en het aanvaarden van regels eigen aan de orde. Monniken en monialen streven voor alles een leven van zoeken naar God na waarin eenzaamheid, gebed, gehoorzaamheid, zuiverheid en armoede de basiselementen vormen in hun hunker naar christelijke perfectie ten bate van de gehele mensheid.

In de loop der geschiedenis werden deze doelstellingen nagestreefd en beleefd tussen twee uitersten: eremieten (kluizenaars) en cenobieten (samenleven met andere monniken) lagen in de loop der geschiedenis aan de basis van een grote schakering aan kloosterorden die, of men het wille of niet, objectief gezien een enorme rol hebben gespeeld niet slechts op religieus vlak, maar tevens op het maatschappelijk vlak, meer speciaal inzake het behoud en de verspreiding van cultuur in de breedste zin van het woord en in het geleidelijk creëren van een eigen Europese cultuur en denkwijze die totaal verschillend is van die in andere wereldculturen.

De Middeleeuwen waren de periode bij uitstek waarin de kloosterorden tot stand kwamen, groeiden en een belangrijke rol gingen spelen, niet slechts als alomtegenwoordig religieus component in de samenleving, maar tevens als culturele, politieke en economische actoren. Ze beheersten lange tijd via grote denkers als bijvoorbeeld Bernardus van Clairvaux, Bacon, Anselmus, Abelardus, Thomas van Aquino en Meester Eckhart , om er maar enkelen te noemen, het ganse spectrum van het theologisch en filosofisch denken met bijkomende impact op literatuur, architectuur en later wetenschap.
Vooral de 11de en de 12de eeuw waren glansperiodes voor de monnikenorden. Het is de periode waarin ook de kartuizerorde is ontstaan.