Petrus Naghel

Dat er in de kartuis van Herne zo‘n baanbrekend werk werd geleverd is te danken aan de werkkracht, de kennis en het talent van Petrus Naghel.
De identiteit van de vertaler bepalen heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Gerenommeerde vorsers als C.C. de Bruin en J. Deschamps hebben sinds een halve eeuw hieromtrent onderzoek gevoerden situeerden de bijbelvertaler eerst als benedictijn in de abdij van Affligem . Theo Coun plaatste de bijbelvertaler van 1360 als eerste binnen de kartuizergemeenschap van Herne,zonder er met zekerheid een naam aan te kunnen geven of te kunnen bevestigen dat Naghel effectief de bijbelvertaler was.
Een belangrijk element voor de toewijzing aan het kartuizermilieu werd geleverd door het onderzoek van Werner Hoffmann op basis van de vertaling van de Vitaspatrum van de Bijbelvertaler. Hoffmann kon de vertaling koppelen aan de legger, een specifiek handschrift met de Latijnse tekst, die onomstotelijk aan de kartuis van Herne heeft toebehoord.

Haast gelijktijdig kwamen Jan en Jozef Boelaert met Jos Bernaer net als Mikel Kors tot de conclusie dat het profiel van Petrus Naghel haast naadloos past op het chronologisch vertaalschema van de Bijbelvertaler.
Op de wetenschappelijke argumenten gaan we hier niet in, men raadplege hiervoor voornoemde werken.

Wie was eigenlijk Petrus Naghel ?

Deze kartuizer in het klooster O.L.Vrouwkapelle was afkomstig uit Aalst, was vóór 1344 wereldlijk priester en trad ca. 1344 in te Herne; hij overleed er aldaar op 1 mei 1395. Hij was enige tijd prior, eerst in de kartuis van Antwerpen (1365), daarna in Herne (1366-69;1373). Zijn ouders, Egidius en Elizabeth, ondersteunden financieel de kloosters te Antwerpen en Herne. Zijn broer was eveneens kartuizer te Herne. Deze familie Naghel heeft vermoedelijk haar wortels in Holland, nl. in Voorhout bij Leiden. Naghel oefende dus een belangrijke functie uit in Herne en was dus iemand met de ontwikkeling en de status die we bij een bijbelvertaler mogen verwachten.

Het oeuvre van Petrus Naghel

Petrus Naghel vertaalde in zijn leven vele werken in de periode 1357-1388; van voor- of na deze periode is er tot op heden van zijn hand niets gevonden.

De tot op heden gerepertorieerde en gedateerde vertalingen van Naghel zijn de volgende :

1. Van Jacobus van Voragine : Legende aurea (voltooid op 9 jan. 1357)

Samen met de historiebijbel is dit het meest verspreide werk van Naghel. Het bevat een vertaling van een reeks heiligenlevens, geschreven rond 1260 door de Italiaanse dominicaan Jacobus de Voragine ( 1228-1298). Zo kennen we 150 overgeleverde handschriften waarin dit vertaalwerk van Petrus Naghel voorkomt, gedateerd tussen 1478 en 1516.

2. De Hernse bijbel (1360-1385)

Op aanvraag van Jan Taye, Brussels patriciër en weldoener van de kartuis van Herne, werd in ongeveer 25 jaar tijd de eerste Nederlandstalige, bijna volledige vertaling van de Schrift vervaardigd.
Het is een historiebijbel. In de middeleeuwen werd zeer zelden een complete vertaling van de Schrift in de volkstaal gemaakt. Alleen de historische boeken van de Bijbel, dit zijn teksten die uitsluitend historisch verhalende stof bevatten, werden opgenomen.

Vrijwel alle historiebijbels in de volkstaal zijn geïnspireerd op de Historia Scolastica van Petrus Comestor (+1179 – magister en kanselier aan de kathedraalschool N.Dame te Parijs ) die op zijn beurt teruggaat tot de door H. Hiëronymus samengestelde Vulgaat (Latijnse bijbelvertaling direct uit het Hebreeuws, in volkslatijn opgesteld tussen 390 en 405 in opdracht van de Paus .
De middeleeuwers hadden een ander concept van de bijbel dan wij heden ten dage kennen. Enerzijds was er het verhaal van de geschiedenis van het Joodse volk. Hier lag de nadruk op de historische boeken van het Oude Testament. Dit werd aangevuld met excerpten uit het werk van o.m. Josephus Flavius, een Joods historicus (-37-100).
Anderzijds gebruikte men in de Middeleeuwen een evangelieharmonie. Dit bevat het levensverhaal van Jezus, samengesteld uit de vier Evangeliën.

Daarnaast is er op Naghel zeker de invloed geweest van de Rijmbijbel van Jacob van Maerlant (Vlaamse auteur 1235-1293 – zeer belangrijk in middeleeuwse literatuur – vertaalde de Historia Scolastica van Comestor op rijm in 1271) en van de Noord-Franse Guyart Desmoulins (1251-?) die in 1295 zijn in de volkstaal vertaalde Bible historiale voltooide, waarschijnlijk in opdracht van Robert II (+1302), hertog van Artesië en bekend mecenas. Over de invloed van deze laatste op de historiebijbel van Naghels bestaat er evenwel discussie.
Jacob van Maerlant maakte reeds in 1271 zijn vertaling van Comestors werk. Petrus Naghel daarentegen nam de Vulgaat als basis voor zijn bijbelvertaling. In goed onderscheiden tekstblokken zette hij er glossen en commentaren van ondermeer Comestors Scolastica tussen.
Zo vermelde Petrus Naghel in zijn inleiding zelf : “Echter soe sal men weten ende verstaen, om dat die bible in menigher stat es soe doncker van verstandenissen, soe sal ic tallen stede daert profijt ende orbere wesen sal, nemen uut Scolastica Historia ende settent biden texte, mer dat salic wel tallen steden onderscheiden, waert beghint ende eynde neemt, met roden encke” (En verder moet men in het oog vatten dat ik, juist omdat de bijbel op vele plaatsen moeilijk te begrijpen is, wanneer het maar nuttig en profijtelijk is (voor de lezer) zal putten uit de Scolastica Historia en dat naast de tekst zal zetten. Maar dat zal ik wel overal onderscheiden, waar het begint en waar het eindigt, met rode inkt).
Met andere woorden kan men gerust stellen dat in Herne voor het eerst het vertaalproject van de bijbel is gebeurd.

De Historiebijbel van Naghel werd in de tweede helft der 14de eeuw slechts spaarzaam gekopieerd, waarschijnlijk vanwege het feit dat de clerus niet wilde dat leken dergelijke lectuur tot zich konden nemen. De verspreiding van Naghels werk kwam pas in de 15de eeuw op gang, eerst met enkele prachtbijbels in particulier bezit, gekend als de Utrechtse bijbels, daarna minder versierde exemplaren bestemd voor kloosters. Uit de 14de zijn er slechts twee kleine fragmenten overgeleverd.

Maar de Historiebijbel van onze Hernse kartuizer is zeker een belangrijke fase in de verspreiding van de bijbel onder de leken uit die periode. De Historiebijbel van 1361 is gedurende bijna twee eeuwen in de Nederlanden de belangrijkste toegang geweest tot het Oude Testament in de volkstaal.

3. Regula Monachorum van Benedictus van Nursia (13 jan. 1373)

De leefregel van de Heilige Benedictus is, zoals eerder vermeld, de grondregel geweest van de meeste kloosterorden. Deze regel werd door Naghel vertaald in opdracht van Ludovic Thonijs voor zijn zuster Maria.
Deze vertaling kennen we in nog 4 handschriften, waarvan er 2 afkomstig uit de abdij van Vorst. Een kan met Herne verbonden worden. Het is een afschrift gemaakt door de Necrologium-kopiïst uit de kartuis.

4. van paus Gregorius de Grote : Homiliae XL in Evangelia (1381)

Gregorius (540-604) werd paus in 590 en had, zoals eerder vermeld, een zeer grote invloed als vernieuwer van de kerk. Hij schreef o.m. over het leven van Benedictus van Nursia. Prof. Claassens (KUL) verricht baanbrekend werk over deze teksten en de volgende.

5. van Johannes Cassianus : Collationes Patrum (1383)

Vertaling op verzoek van L. Thonijs. Cassianus, geboren in Roemenië rond 365, verbleef geruime tijd in Egypte bij de woestijnvaders. Vanaf begin 5de eeuw vestigde hij zich in Marseille waar hij twee kloosters stichtte. Enorme invloed op de moniachale spiritualiteit. De twee overgebleven handschriften leveren ons niet de volledige vertaling op.

6.van Pseudo-Bonaventura Stimulis Amoris (1387)

7. van paus Gregorius de Grote : de Dialogen (1388)

Zeer belangrijke tekst in de Middeleeuwen.

8. Vitaspatrum

Deze vertaling bevat twee zelfstandige delen : de eigenlijke Vitae-verzameling gekend onder Vaderboec of Der vader leven en de Verba seniorum als Der vader collacien.
Overgeleverd in 26 handschriften.

Andere verloren en toegeschreven werken zijn de volgende :

9. Homilia in Hiezechihelem prophetam van paus Gregorius de Grote (1384)

Dit vertaalde werk is tot heden niet teruggevonden, maar kennen we enkel uit de vermelding in de proloog van Jeremia en Ezekiël uit ca. 1384.

9. Bonaventura : Lignum Vitae (1386)

Is in twee handschriften bewaard, maar er dient nog nader onderzocht te worden of het een wezenlijke vertaling is van Petrus Naghel.

10. Bernardus van Clairvaux : Homiliae de laudibus Virginis Matris…

Ook hier is er alsnog geen zekerheid om dit werk aan Petrus Naghel toe te schrijven.

Petrus Naghels vertalingen van de Legenda aurea, Homiliae XL in Evangelia, Libri IVdialogorum en Vitaspatrum kenden een significante verspreiding in het Duitse taalgebied. Het betreft omzettingen in het Ripuarisch (term voor het taaleigen van het Roergebied en de regio Keulen-Aken) dat heel sterk aanleunt bij het Middelnederlands.

(Het ligt in de bedoeling van het Studiegenootschap om al deze gegevens met betrekking tot de Bijbelvertaler van 1360 en zijn werk verder aan te vullen en te corrigeren op basis van de laatste gegevens inzake wetenschappelijk onderzoek)

RECENTE EVOLUTIE INZAKE HET ONDERZOEK NAAR HET WERK VAN PETRUS NAGHEL

Februari 2008

Katty Debundel, doctoranda bij Prof. Claassens (KUL) heeft in Mineapolis een lezing gegeven waaruit blijkt dat het bijbelboek Ezekiël in de Delftse bijbel teruggaat naar de vertaling van Petrus Naghel, dit in tegenspraak met wat De Bruyn beweerde.
De tekst van haar lezing verscheen in : A.A. Den Hollander, W. François, M. Lamberigts (rds) Infant Milk or Hardy Nourishment ? The Bible for Lay People and Theologians in the early Modern Period.