Mijlpalen

Uit het overzicht van de geschiedenis van de kartuis komen volgende belangrijke elementen te voorschijn.

Ten eerste herbergde Herne de eerste kartuis der Lage Landen. 250 jaar na de oprichting van de orde door Bruno van Keulen en na de stichting van talrijke kloosters in Frankrijk, zet de orde haar expansie voort. Ook de andere, meer naar ascetisme en beslotenheid zoekende orden zoals de cisterciënzers, zetten hun expansie verder in deze voor het monachisme belangrijke periode.

Ten tweede is het merkwaardig dat een onooglijk dorp zoals Herne een kartuizerklooster herbergde. Weliswaar is het door toedoen van de heer van Edingen die via donaties er een klooster laat oprichten en is er de expansie van de orde, maar toch is het verwonderlijk dat Herne, een gemeenschap zonder geschiedenis, deze stichting bezat op de locatie van een vroeger bedevaartsoord. Kartuizers zoeken nu eenmaal de afzondering op

Het Hernse klooster kende snel een belangrijke bloei. Herne had zo‘n goede naam verworven en er waren genoeg monniken om tien jaar na de oprichting vanuit Herne reeds een ander klooster te stichten te Antwerpen, en 145 jaar later was onze kartuis nog belangrijk genoeg om er één op te richten in het Nederlandse Delft.

Ten derde, minder dan 50 jaar na de oprichting had ons klooster reeds het statuut verworven van kopieer- en vertaalcentrum. Het werk dat Petrus Naghel er leverde als bijbelvertaler is zonder weerga en heel belangrijk geweest voor het religieus-culturele leven in Brabant.

Ten vierde schijnt het klooster ook belangrijk te zijn geweest op het religieus-maatschappelijke vlak. Het feit dat de zuster van de Engelse koning, Margaretha van York, Maria van Bourgondië en Maria van Luxemburg er op bezoek kwamen wijst uiteraard niet op direct politieke actie vanwege de monniken –dit zou in tegenspraak zijn met de spiritualiteit der kartuizers- maar wel op spirituele invloed. Prior van Musschezele was immers raadgever van Margaretha van York.

Ten vijfde blijkt het belang van het klooster eveneens uit het bezoek van Jan van Ruusbroec aan Herne. De reeds op leeftijd zijnde mysticus kwam in 1362 te voet vanuit Groenendaal om de monniken te onderhouden over zijn mystieke leer.
Het bezoek van Ruusbroec aan het klooster van Herne is in dit opzicht merkwaardig. Waarom kwam een oud man – hij was 69 jaar, wat reeds een vergevorderde leeftijd was in de 14de eeuw – te voet van uit Groenendaal naar het verre Herne ?
De mystieke leer van de meester was een nieuw gegeven in het toenmalige religieuze wereldbeeld. Feit is dat de monniken in Herne in het bezit waren van zijn geschriften, o.m. van Dat rijcke derghelieven en dat ze dus een meer dan gewone interesse toonden voor zijn werk. Het boek was hen in het geheim doorgespeeld., aldus Paul Verdeyen, kenner van Ruusbroec. De kartuizers vroegen uitleg over zijn leer waarmee ze het moeilijk hadden en hij beloofde hen een ander boek te schrijven om de moeilijke teksten te verklaren. Dit gebeurde in het schrift Dat boecsken der verclaringhe..
Ruusbroecs invloed op het geestelijke leven in de Nederlanden was groot. Vooreerst schreef hij in het Middelnederlands, wat relatief nieuw was in een tijd dat de meeste geschriften in het Latijn werden opgesteld. De kerkelijke overheid was geen voorstander van religieuze lectuur in de volkstaal en volgde met argusogen zijn geschriften. Ze ging zelfs zo ver het te verbieden of het te beschouwen als een vorm van ketterij. De kartuizers wilden hierover zekerheid, te meer dat hij ook een meer dieper persoonlijke godsdienstige beleving vooropstelde. Dezelfde mentaliteit heerste bij de leerlingen van Geert Grote die dezelfde bezwaren als Ruusbroec hadden tegen de religieuze orden althans in de beginfase van zijn geestelijk ambt.
Over Ruusbroecs werk werd er tussen de kartuizers van Herne en de kanselier van Parijs, J. Gerson correspondentie gevoerd.

Er zijn drie kroniekschrijvers geweest : Arnoldus Beeltsens, Jan Ammonius en Bruno Pede.
De kronieken van de eerste twee werden door E. Lamalle in 1932 uitgegeven. Beeltsens verzorgde de kroniek tot 1489, nadien nam Ammonius die over tot 1534. Pede nam in zijn kroniek de eerste twee kronieken over en vervolledigt die tot midden 18de eeuw.
Naast deze belangrijke bronnen zijn er nog akten, cartularia, obituaria en anniversaria.

Net als over gans Europa kende het kartuizerklooster in de periode vanaf de tweede helft van de 14de tot het einde van de 15de eeuw een bloeiperiode. Het is in die periode dat grote bouwwerken werden gerealiseerd, het belangrijke vertaalwerk gebeurde en eminente personen er op bezoek kwamen.