Reconstructie

Om zich een duidelijk beeld te kunnen vormen hoe het Hernse kartuizerklooster er ooit heeft uitgezien, beschikken we over meerdere hulpmiddelen

Vooreerst heeft het Hernse kartuizerklooster als enige in onze contreien het domein als geheel weten te behouden. Bij decreet van de hogere overheid werden begin 21ste eeuw niet alleen de gebouwen beschermd, maar tevens het omliggende landschap als dusdanig.
Naast de nog bestaande bouwkundige elementen zijn documenten die direct betrekking hebben op de site van belang voor de reconstructie. Het betreft hoofdzakelijk kaarten, zij het dat ze een overzicht geven van de streek met een aanduiding van het bestaan van de kartuis, zij het dat het gedetailleerde kaarten zijn met vermelding van gebouwen en eigendommen, deze laatste vanaf het midden van de 18de eeuw. De kaarten van Capiau uit 1760, Fonson uit 1756-8, Ferraris uit 1775, de eerste kadasterkaart uit 1834-5, de Atlas der Buurtwegen (1843) en Popp (ca 1860) zijn hierbij van cruciaal belang.

Het Gemeentelijke Studiegenootschap Hernse kartuis plant trouwens hierover een tentoonstelling begin 2009.

Anderzijds zijn er andere kloosters die de tand des tijds wel hebben overleefd en die ons een inzicht kunnen bieden hoe het Hernse kartuizerklooster was opgebouwd. Doch hierbij dient voorzichtigheid geboden, want buiten de basiselementen die in elke kartuis terugkomen, was de bouw vaak sterk streekgebonden zodat elke kartuis een eigen verloop in haar architectuurgeschiedenis heeft gekend. Verder dient ermee rekening te worden gehouden dat de bouwstijl in de loop der tijden andere toepassingen heeft naar voren gebracht die op het gehele kloostercomplex hun stempel hebben gedrukt.

Op de locatie waar ooit de eerste kartuis der Nederlanden stond zijn meerdere bouwkundige restanten bewaard gebleven.
Vooreerst, qua ligging en naar het voorbeeld van de geest waarin de Grande Chartreuse werd opgericht, kreeg de kartuis in Herne een locatie toebedeeld buiten de dorpskern.
Het klooster bevond zich langs de noordelijke kant van de Aerebeek. Aan de zuidelijke kant, in het huidige weiland, waren de visvijvers van het klooster (ook langs de Scheibeek waren er zeer grote vijvers) Net als nu liep er een weg vóór het klooster. Deze weg heette “Capellestrate” (vermeld in 1549), verwijzend naar de officiële kloosternaam Onze Lieve Vrouwe Kapelle..
De gebouwen werden ingepland in oostelijke richting op een hellend terrein. Het kloostercomplex was volledig ommuurd. Een gedeelte van de buitenmuur is aan de straatzijde nog zichtbaar.
Wanneer men iets hogerop de huidige locatie betreedt, ziet men achteraan een rij kleine huizen. Deze vormden de uiterste rij kluizen of cellen van de monniken. De totale oppervlakte van het klooster ten tijde van de opheffing bedroeg ca 7 ha.

De hedendaagse structuur van het toenmalige klooster gaat terug op de toestand van 1716, jaar waarin de laatste grote werken werden opgestart onder het prioraat van dom Hugo van Lippeloo. Dat jaar werd het vrouwengastenkwartier voltooid. In de rondboog van de poort langs de binnenzijde lezen we “anno 1716”. Bij die gelegenheid werd de beeltenis van H. Bruno voor 4 florijnen aangekocht en boven de ingangspoort geplaatst.

Achter het gastenkwartier, ook wel “le quartier des dames” of “camera mulierum” genoemd, bevond zich langs de binnenkoer, de grote schuur ; boven de poort ervan werd een blauwe steen ingemetseld met het chronogram “post CasVM DeCor” wat duidt op het jaar 1705 toen deze schuur finaal werd gerestaureerd onder het prioraat van dom Jozef Engelrave uit Antwerpen .

De oostelijke buitenmuur van de schuur is voor de helft uit natuursteen gebouwd. Langs de binnenkant zijn er nog de sporen van een rondvenster, vermoedelijk één van de vensters van de oude kerk. Uit de kroniek blijkt duidelijk dat er naast de oude kerk reeds in 1418 een nieuwe werd ingewijd.. Deze stond haaks op de grote schuur en liep als dusdanig in de diepte van het kloostercomplex. Rond de kerk moeten de andere gemeenschappelijke gebouwen gestaan hebben zoals de kapittelzaal, refter, keuken, bibliotheek, residenties voor de prior en de procurator. Deze structuur vindt men in elke kartuis weer.

Rechts van de kerk en achter het gastenkwartier situeerden zich de obediënties of werkplaatsen. Dit waren o.m. de boerderij, de brouwerij, de molen (de molenstenen werden teruggevonden), het melkhuis en de stallingen.. Deze gebouwen lagen, voor wat er van overblijft, langs de rechtse kant van de weg achter het gastenkwartier. De hofstede aan de linkerkant is grotendeels gebouwd na de opheffing. Enkel in de kelder ervan dateert een steunpilaar uit de kloostertijd. Aan de rechterkant ligt iets verderop de vermoedelijke brouwerij.
In het huidig weiland lag het groot pand in een vierkant. De cellen waren verbonden met een overdekte rondgang van 62 op 62 m. Dit groot pand had 14 cellen, elke bestaande uit een huisje met een tuintje. Een rij werd afgebroken begin 20ste eeuw. Bij de nog bestaande achterste huizenrij was het niet zo dat er evenveel kluizen waren als woningen

Een reconstructie door ir. J. Boelaert (15.9.2001) vindt men in bijlage