Leefwereld

Deze spiritualiteit vindt men eveneens terug in de eenvoudige gebouwenstructuur van een kartuizerklooster (bv. éénbeukige kerken).
In de uitbouw van een klooster onderscheidt men twee delen, nl. het feitelijke klooster en de werkplaatsen of obediënties.
In dit laatste gedeelte heeft men de landbouwuitbating met schuren en stallen. Daarnaast vond men er in de middeleeuwen bv. een melkhuis, smidse, brouwerij en andere ateliers.
Het feitelijke klooster bestaat uit twee delen. Het belangrijkste omvat de gebouwen waarin de monniken zijn gevestigd, “groot pand” genoemd, met de afzonderlijke kluizen.
Elke kluis is normaal samengesteld uit vier vertrekken : het Ave Maria of de inkom waarin een bidstoel staat met Mariabeeld. Telkens een kartuizer zijn woonst betreedt, bidt hij even op deze plaats. Daarnaast is er het cubiculum of de leefruimte. Dit vertrek dient zowel als eetkamer, studeerkamer, bidplaats en slaapkamer. Verder zijn er de stapelplaats voor zijn brandhout als een werkruimte waarin hij handenarbeid kan verrichten. Elke kluis beschikt over een tuin en is dusdanig ommuurd.
Het geheel van de kluizen - in een normaal klooster zijn er twaalf – wordt in een vierkant met een pandgang verbonden. Typisch aan elke ingang van een kluis is de nis naast de deur waarin dagelijks het eten van de monnik wordt geplaatst zodat hij niet gestoord wordt.
Aanleunend bij het grote pand liggen de gemeenschappelijke vertrekken zoals de kerk, de kapittelzaal, de keuken, refter die enkel op zon- en feestdagen worden gebruikt, en de bibliotheek.