Ontstaan

Rond 1080 ontstond er in de religieuze wereld van Reims een conflict rond de pas benoemde aartsbisschop. Een van de spilfiguren in dit conflict was Bruno, scholaster verbonden aan de kapittelschool van de kathedraal van Reims. Volgens Bruno en zijn entourage had de bisschop zijn benoeming gekregen via simonie, d.w.z. dat hij die had gekocht. In die tijd, vooral vóór de Gregoriaanse Hervorming, werden kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders zoals abten en bisschoppen nogal eens aangeduid door wereldlijke machthebbers, zonder rekening te houden met hun waarde inzake geloof. Bruno ging hiermee niet akkoord en hij wou zich terugtrekken uit het al te wereldse leven van de toenmalige geestelijkheid.
Bruno kwam tot het besluit dat hij zijn verder leven uitsluitend wou wijden aan God en dat hij het wou doorbrengen in de beslotenheid. Hij trok zich eerst terug in de abdij van Séche-Fontaine, doch de nabijheid van Reims was nog te groot. Omdat hij nog meer naar eenzaamheid verlangde, trok hij verder weg en vond hij zijn toevlucht bij een oud-leerling van hem, Hugo, bisschop van Grenoble.
Deze stelde hem en zijn zes volgelingen een domein ter beschikking ten noorden van de stad Grenoble, namelijk het gebied van de Chartreuse. Hier startte in 1084 in alle afzondering het leven van een groep contemplatieven.

Toen een ander oud-leerling van Bruno, Eudes de Châtillon, intussen paus Urbanus II, in 1090 problemen ondervond in Rome riep hij hem als raadgever bij zich. Bruno verliet zijn prille gemeenschap. Ondanks het feit dat hij na enige tijd graag was teruggekeerd, kreeg hij van de paus hiervoor geen verlof. Uiteindelijk stemde paus Urbanus II in de herfst van 1090 ermee in dat Bruno zich terugtrok in Calabrië (Zuidwest-Italië). Hier zou Bruno een nieuwe ermitage leiden tot aan zijn dood in 1101.

Ondertussen hadden zijn eerste volgelingen zich in de Chartreuse bestendigd. Gezien Bruno niet de intentie had om een orde of klooster te stichten, maar enkel zijn eigen project voor ogen had, en mede door zijn vroege vertrek, beschikten zijn volgelingen niet over een regel. Niettemin kende het kartuizersleven een grote uitstraling in de wijde omgeving want zo‘n 30 jaar later zochten een vijftal andere gemeenschappen, hierin gesteund door bisschop Hugo, aansluiting bij de monniken in de Chartreuse. Dit bracht met zich mee dat de toenmalige overste werd aangezocht om de bestaande leefregel, de zgn. Coutumes, neer te schrijven.
Deze overste, Guigo, stelde zo de gewoontes van de gemeenschap te boek. Deze Consuetudines zouden vanaf 1127 als basis dienen voor de uitbreiding van de orde met nieuwe vestigingen over de hele wereld.